7 februari t/m 18 april 2010


Jubileumexpositie


150ste verjaardag
Willem Bastiaan Tholen


Op 7 februari is de expositie 150ste Verjaardag Willem Bastiaan Tholen in het Stedelijk Museum Kampen geopend. Aanleiding voor de tentoonstelling is het feit dat Willem Bastiaan Tholen op 13 februari a.s. 150 jaar geleden is geboren.
De expositie toont een overzicht van de carrière van de kunstenaar aan de hand van werken uit de eigen collectie en diverse bruiklenen uit musea, particuliere verzamelingen en kunsthandels.
Tholen is weliswaar in Amsterdam geboren, maar hij kwam op 4-jarige leeftijd in Kampen wonen. Eigenlijk beschouwen we Tholen dan ook als een ‘Kamper’ schilder. De jonge Tholen groeide op in een artistiek gezin. Zijn vader P.H.H. Tholen (1831-1913) en zijn zus Margo (1870-1911) schilderden evenals zijn tante Arondine Arendsen. Zijn vader bracht hem de eerste beginselen van het schilderen bij.
Tholen raakte op de lagere school al bevriend met Jan Voerman sr., die zijn passie voor tekenen deelde. Tussen de jongens ontstond een levenslange vriendschap.
Na de lagere school  gingen Tholen en Voerman in de leer bij C.H. Hein, die samen met zijn broer H.J. Hein, stadstekenleraar in Kampen was. Het was echter Tholen sr. die Willem Bastiaan liet kennismaken met het buitenleven. Zo nam hij zijn zoon mee op (zeil)tochten in de omgeving van Kampen. Hierdoor raakte hij vertrouwd met het IJssellandschap waarin het water, de polders en de indrukwek-kende luchten belangrijke ingrediënten vormden.
Op de plaatselijke HBS en in de avonduren op de ‘Stadsteekenschool’ kreeg Tholen – samen met Voerman - les van J.D. Belmer die hem verder enthousiasmeerde voor het vak.
Belmer trok er met zijn leerlingen vaak op uit. Voorzien van schetsboek en klapstoel, tekenden zij langs de trekvaart in IJssel-muiden of in Oosterholt.
Tholen voelde zich dan ook zijn leven lang schatplichtig aan Belmer:

Wij [Voerman en Tholen] hebben aan Belmer de grootste verplichting, zijn naam staat met onze schildersnaam in ’t nauwste verband of liever gezegd onze naam zou er zonder hem niet geweest zijn.

(uit: A. Wagner, Jan Voerman – IJsselschilder, Waanders – Zwolle 1991)

Na zijn vervolgopleiding in Amsterdam, nam Tholen les bij P.J.C. Gabriël bij wie hij in 1878 drie maanden werkte in diens atelier in Brussel. Die leertijd was van grote betekenis voor hem en was feitelijk gezien zijn enige praktische opleiding in het schildersambacht. Gedurende enkele jaren daarna schilderden zij gezamenlijk in de vrije natuur. Na terugkeer uit Brussel aanvaardde hij in 1880 de functie van tekenleraar aan de burger-avondschool te Kampen.
Bij zijn ouders thuis, in Kampen, beschikte hij over een atelier, waar Gabriël hem regelmatig bezocht. Samen trokken ze erop uit en vonden ze inspiratie in de omgeving van Giethoorn en in de veenderij-en rondom Kampen. Gedurende deze periode (1880‑18-85) probeerde hij los te komen van zijn leraarschap om zich geheel aan de schilderkunst te wijden.

Door zijn vriendschap met Willem Witsen werd hij uitgenodigd op het buiten van de familie Witsen: de Ewijkshoeve. Daar leerde hij zijn latere echtgenote Coba Muller kennen. In die tijd nam de invloed van Gabriël af, werd zijn kleurgebruik gedempter en zijn onderwerps-keuze gevarieer-der. Met Coba vestigde Tholen zich in 1887 in Den Haag.
Na het overlijden van Coba trouwde Tholen in 1919 met Jkvr. E. de Ranitz. Vanaf dat moment tot aan het einde van zijn leven in 1931 veranderde zijn werk niet noemenswaar-dig meer.

De verhuizing naar Den Haag was van grote invloed op Tholen. Hij kwam er in aanraking met de grote meesters van de Haagse School en nam deel aan het bloeiende kunstleven in die plaats. Desondanks had de Haagse School weinig invloed op zijn werk. Hij beschouwde zichzelf dan ook niet als een vertegenwoordiger van deze stroming. Het gemeenschappelijke tussen beiden was vooral gelegen in het belang dat zij hechten aan de tonaliteit, de atmosfeer en de stemming in hun werken. Het waren vooral buitenschilders. Tholen was echter gevarieerder in zijn onderwerpskeuze en stond daardoor dichter bij de jongere generatie, de zgn. Tachtigers. Zijn latere werk is zelfverzekerd, nauwgezet, toont gevoel voor detail en is veelal direct op het doek aangebracht. De kleuren worden ijler en gedempter en de verf is dun, bijna transparant, aangebracht. Deze persoonlijke stijl blijft hij tot het einde toe trouw.

Polderlandschap.
Gezicht in Giethoorn (1883).