Erik Buijs (1970) is al enige jaren bekend om zijn in beton, brons of aluminium gegoten aardmannetjes. Deze figuren zijn humoristisch, maar zijn ook vaak tragikomisch en ontroerend. Inmiddels staat er al een heel volk van deze monumentale mannetjes in de openbare ruimte.
Buijs noemt zich liever beeldenmaker dan dat hij zich kunstenaar wil noemen. Zijn beelden ontstaan vanuit het werken met de materialen. Hij trekt zijn figuren uit de klei of stapelt ze met stukken materiaal, die voortdurend door zijn handen worden onderzocht op vorm en mogelijkheden. Ondanks deze werkwijze verliest hij zijn positie als hedendaags beeldend kunstenaar/beeldenmaker niet uit het oog, en maakt dikwijls gebruik van elementen uit de kunstgeschiedenis of het dagelijks leven. Niet te opvallend, maar op de achtergrond. Het kleine mannetje met grote potenties. Dat is zijn idioom.
In de expositie LUDENS laat Buijs -naast zijn bronzen en aluminium mannetjes- een nieuwe serie stapelbeelden zien. Met speelsheid, snijdt hij uit piepschuim vormen, die dan weer worden samengevoegd tot frisse figuren. De serie Pile bestaat uit voornamelijk gestapelde houten balken, die gezamenlijk liggende figuren lijken te vormen, maar door deze manier van werken krijgen ze ook iets ‘landschappelijks’. Op de donkere zolder zijn mobiles gemaakt waar met licht op wordt geschenen; de beelden spelen een spel met de al aanwezige balken en palen.
De titel van de expositie LUDENS komt van HOMO LUDENS oftewel ‘de spelende mens‘. Zou Buijs hier duidelijk willen maken dat we af en toe de teugels zouden moeten laten vieren om een breder perspectief te krijgen?